Wat is MRT

child_1.pngMotorische Remedial Teaching kan worden uitgelegd als het verlenen van extra hulp bij de bewegingsopvoeding. Het richt zich op de ontwikkeling van het bewegingsgedrag van het kind.

Voor veel cognitieve vakken (denk maar aan lezen en rekenen) bestaat er op school extra hulp in de vorm van remedial teaching. Als een kind in de klassensituatie niet mee kan komen, bestaat er dus de mogelijkheid tot remediëren binnen of buiten de klas. Op het gebied van de motoriek zijn er slechts enkele scholen die kinderen extra zorg bieden. Dit zijn vooral scholen voor speciaal onderwijs.

Doelstellingen

De algemene doelstellingen van MRT kunnen als volgt worden omschreven:

  • het op het motorische vlak bevorderen van een optimale ontwikkeling van minder goede bewegers; behalve het bewegen kan (daardoor) ook de sociaal-emotionele ontwikkeling verbeteren;
  • het behouden of verkrijgen van plezier in bewegen en het bevorderen van een positieve instelling tegenover bewegen, waardoor ook de minder goede bewegers een langdurige bewegingsmotivatie kunnen ontwikkelen. Anders gezegd: het voorkomen van demotivatie en afhaken.

De doelstellingen op kortere termijn voor een periode van drie maanden tot een half jaar zijn de volgende:

  • het kind kan beter meedoen in de lessen bewegingsonderwijs;
  • het kind heeft meer plezier in de lessen bewegingsonderwijs;
  • het kind heeft meer zelfvertrouwen in bewegingssituaties;
  • het kind beweegt beter, makkelijker, effectiever.

Vaak zijn de resultaten van een periode van motorische remedial teaching ook in de klas, op het schoolplein en thuis zichtbaar.

Schermafbeelding 2015-03-21 om 13.00.43

Kenmerken

Hieronder volgen kenmerken voor de motoriek van kinderen die in aanmerking kunnen komen voor Motorische Remedial Teaching. Uiteraard geldt dat deze kinderen vaak slechts één of enkele van de kenmerken vertonen.

  • Kinderen met een bewegingsachterstand. Dit kan zich uiten in:
    1. opvallende houding of motoriek;
    2. houterig bewegen, gespannen zijn;
    3. onhandigheid, veel vallen;
    4. weinig of niet spelen met ballen.
  • Kinderen met concentratiemoeilijkheden die:
    1. moeite hebben met stilzitten;
    2. moeilijk kunnen luisteren;
    3. een korte taakspanning hebben.
  • Kinderen met bewegingsonrust die:
    1. impulsief en chaotisch gedrag vertonen;
    2. moeite hebben met gestelde grenzen;
    3. moeite hebben met inslapen of onrustig slapen.
  • Kinderen met weinig zelfvertrouwen bij het bewegen. Dit kan zich uiten in:
    1. angstig zijn in bewegingssituaties;
    2. onzekerheid, faalangst.
  • Kinderen met schrijfproblemen die:
    1. onvoldoende groot en/of fijnmotorische vaardigheden hebben;
    2. een verkeerde schrijfhouding hebben;
    3. onduidelijk of langzaam schrijven.
  • Kinderen bij wie een ziekte of aangeboren afwijking een verstoorde ontwikkeling veroorzaakt.
  • Kinderen met sociaal-emotionele problemen zoals:
    1. moeite in de omgang met andere kinderen;
    2. weinig ondernemingslust en plezier in bewegen;
    3. veel denken en praten en daarbij moeite hebben om tot handelen over te gaan.